Hof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6120
Appelverbod. Het hof ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, nu het hof een beslissing van dat hof niet noodzakelijk acht voor de beantwoording van de door de betrokkene opgeworpen vragen. De appelgrens is niet in strijd met internationaal recht. Het niet toekennen van een proceskostenvergoeding kan niet worden aangemerkt als een punitieve sanctie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer : Wahv 200.364.484/01
CJIB-nummer : 262974458
Uitspraak d.d. : 23 september 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].
Zaaknummer
: Wahv 200.364.484/01
CJIB-nummer
: 262974458
Uitspraak d.d.
: 23 september 2026
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Daarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Daarnaast is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 september 2026. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].
De beoordeling
1 Artikel 14 van de Wahv bepaalt, voor zover hier van belang, dat hoger beroep alleen kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter als de sanctie bij die beslissing hoger is dan € 110,-. Van deze situatie is hier geen sprake. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking vernietigd. Er resteert dus geen sanctie meer.
2 De betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat in deze zaak sprake is van een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47, derde lid, van het Handvest van de Grondrechten en de Europese Unie (EU-Handvest). De kantonrechter heeft namelijk geen proceskostenvergoeding toegekend, terwijl de betrokkene wel in het gelijk is gesteld. Het recht op toegang tot de rechter omvat ook het recht op een effectieve verdediging en een vergoeding van de noodzakelijke kosten. Wanneer de kosten om jezelf te verdedigen niet worden vergoed, wordt de toegang tot de rechter immers illusoir. Het niet toekennen van een proceskostenvergoeding aan een betrokkene die zichzelf verdedigt belast een betrokkene financieel en vormt daarmee dus een punitieve sanctie in de zin van artikel 6 van het EVRM. Dit levert dus indirect een schending op van het recht op toegang tot de rechter. Het appelverbod ontneemt de betrokkene de mogelijkheid om deze schending te laten toetsen. De combinatie van beide elementen maakt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. De betrokkene werpt de vraag op of de Europese regelgeving zich niet verzet tegen het opleggen van een punitieve sanctie zonder de mogelijkheid van hoger beroep en zonder toekenning van een proceskostenvergoeding, waardoor de effectieve uitoefening van de verdedigingsrechten financieel wordt belemmerd. De betrokkene verzoekt het hof om op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ter zitting heeft de betrokkene nog gewezen op de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 3 juli 2026, ECLI:NL:PHR:2026:673.
3 Het hof ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, nu het hof een beslissing van dat hof niet noodzakelijk acht voor de beantwoording van de door de betrokkene opgeworpen vragen.
4 In artikel 6 van het EVRM ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. In artikel 13 van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Artikel 47 van het EU-handvest is hierop gebaseerd en komt qua strekking overeen.
5 Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het appelverbod als zodanig niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Deze bepalingen geven geen onbeperkt recht op inhoudelijke behandeling van een zaak in hoger beroep. In bepaalde gevallen is met de behandeling van de zaak door de officier van justitie en de kantonrechter voldoende uitvoering gegeven aan de hiervoor genoemde rechten (vgl. het arrest van het hof van 14 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7728).
6 Het recht op hoger beroep mag worden beperkt als sprake is van bagateldelicten, wat wil zeggen dat het gaat om een kleine geldsom. In het geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv (€ 110,-), moeten deze als bagateldelicten worden gekwalificeerd. Dat het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan € 110,- is uitgesloten, is daarom niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Dit oordeel vindt steun in het Europees recht (vgl. het arrest van het hof van 25 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4200).
7 In deze zaak resteert geen sanctie meer. Het niet toekennen van een proceskostenvergoeding kan - anders dan de betrokkene stelt - niet worden aangemerkt als een punitieve sanctie. De verwijzing door de betrokkene naar de conclusie van de procureur-generaal brengt het hof niet tot een ander oordeel. Die conclusie gaat voor zover hier relevant om de vraag of de wettelijke verhogingen zijn aan te merken als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM. Dat is hier niet aan de orde. In beginsel is het appelverbod dan ook van toepassing.
8 Het appelverbod kan buiten toepassing worden gelaten wanneer het recht op toegang tot de rechter in een concrete zaak is geschonden door de kantonrechter (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
9 In deze zaak is het recht op toegang tot de rechter niet geschonden. De betrokkene is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter en is daar ook verschenen. Dat de kantonrechter volgens de betrokkene ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, vormt geen grond om het appelverbod buiten toepassing te laten. Uit vaste jurisprudentie van het hof volgt dat klachten die er in de kern op neer komen dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen (inhoudelijk, dan wel procedureel) niet kunnen leiden tot het buiten toepassing laten van het appelverbod.
10 Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit betekent dat het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de beslissing van de kantonrechter niet kan beoordelen. Voor het toekennen van een vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.