Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3646
Ex artikel 29 lid 1 Wgbz tegen door de griffier vastgesteld griffierecht. De procedure waarin griffierecht is geheven is gebaseerd op Verzetprocedure artikel 44 lid 2 Wzd. Het hof stelt vast dat de indiening van een op de Wzd gebaseerd verzoekschrift niet wordt genoemd in artikel 4 lid 1 en lid 2 Wgbz en evenmin in artikel 1 van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken. Ook voor procedures gebaseerd op de Wet Bopz gold in het verleden dat deze niet in de Wgbz en evenmin in de Regeling griffierechten burgerlijke zaken waren vrijgesteld van griffierecht. De Hoge Raad heeft voor dit type zaken echter een uitzondering aangenomen. De Wvggz is één van de twee opvolgers van de Wet Bopz. Ook Wvggz-zaken worden niet genoemd in de opsommingen van artikel 4 lid 1 en 2 Wgbz en evenmin in artikel 1 van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken. In de rechtspraak en literatuur wordt aangenomen dat – in het verlengde van wat de Hoge Raad onder 3.2 van haar beschikking van 30 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV7679) heeft overwogen – vrijstelling van griffierecht in Wvggz-zaken wel de bedoeling is. Het beleid van de Hoge Raad is dan ook dat bij zaken op grond van de Wvggz geen griffierecht in rekening wordt gebracht. De Wzd is de andere opvolger van de Wet Bopz. Aard, doel en strekking van de Wzd en de Wvggz zijn vergelijkbaar. De Wzd en Wvggz zijn beide bedoeld om de rechten van mensen te waarborgen wanneer zij in aanraking komen met gedwongen zorg. Het gaat ook bij de Wzd om procedures met betrekking tot maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, voor het bestrijden waarvan geen financiële drempels behoren te worden opgeworpen. Het hof is van oordeel dat procedures op grond van de Wzd moeten zijn vrijgesteld van griffierecht. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl