Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7073
Geschil tussen moeder en zoon over verdeling van gelden in beëindigde maatschap van een boerenbedrijf. Geschil wordt aan NAI arbiters ter beoordeling voorgelegd. Tijdens de arbitrageprocedure dient moeder verschillende verzoeken tot wraking van de arbiters in, welke verzoeken door de NAI wrakingkamer zijn afgewezen. Kort voor de arbitrale eindbeslissing overlijdt moeder. De erfgenamen van moeder vorderen in de bodemprocedure bij het hof vernietiging van het arbitraal vonnis. Voorts wordt in kort geding staking van de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis gevorderd. De erfgenamen van moeder verzoeken kort voor de mondelinge behandeling bij het hof verwijzing naar een ander hof doordat de voorzitter van de NAI wrakingkamer weliswaar raadsheer bij een ander hof is maar via de landelijke inloopkamer raadsheer met interne aantekening bij dit hof is. De erfgenamen van moeder hebben aan hun vorderingen mede ten grondslag gelegd dat het handelen van de voorzitter van de NAI wrakingkamer heeft geleid tot fundamentele gebreken van een goede procesorde in de arbitrale procedure. Het hof acht na weging van de omstandigheden behandeling door een ander hof gewenst.
De uitspraak op rechtspraak.nl