Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1611

Wet op de economische delicten (WED): art. 3.1, lid 1, Wet natuurbescherming (Wnb) jo. artt. 1 en 5 Vogelrichtlijn art. 3.24, lid 5, Wnb, met in lid 6 een uitzonderingsbepaling Overtreding van art. 3.1, lid 1, Wnb dient, in afwijking van het stelsel van de WED, opzettelijk te zijn gepleegd, wil het strafbaar zijn. Het hof acht het opzet niet bewezen en spreekt verdachte daarom vrij van het primair tlg. Het hof verstaat de uitzonderingsbepaling van lid 6 van art. 3.24 Wnb aldus, dat het verbod van lid 5 van dat artikel niet van toepassing is op degene die in het kader van de hem toegestane jacht of schadebestrijding zich in een veld bevindt met een dier, dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, en dat in genoemd kader in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt. Het hof stelt vast dat verdachte ten tijde van het subsidiair tlg. samen met zijn (jacht)hond doende was met toegestane schadebestrijding. Lid 5 van art. 3.24 Wnb is dan niet op hem van toepassing. Het subsidiair tlg. levert derhalve geen strafbaar feit op. Verdachte wordt ter zake daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen