Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1255

De aan de terbeschikkingestelde opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is telkens verlengd tot de beslissing waarbij de terbeschikkingstelling alleen is verlengd met ingang van 20 april 2013 en de daarop volgende beslissing waarbij de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd met ingang van 22 augustus 2013. De termijnen van de terbeschikkingstelling en van de voorwaardelijke beëindiging lopen derhalve niet parallel. Op grond van artikel 38j van het Wetboek van Strafrecht (oud) bedraagt de totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging ten hoogste negen jaren. Indien die termijn is verstreken zonder dat een last tot hervatting van de verpleging is gegeven, zal de maatregel van de terbeschikkingstelling, behoudens verlenging, in het onderhavige geval van rechtswege eindigen op 21 augustus 2022. De terbeschikkinggestelde is niet bereid zich vrijwillig te laten behandelen en begeleiden. De terbeschikkingstelling met een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege biedt meer mogelijkheden om hem daartoe te verplichten, toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en bij een eventuele overtreding van die voorwaarden tijdig in te grijpen. Een civielrechtelijke machtiging is nog geen geschikt alternatief voor de structuur van de terbeschikkingstelling. Daarom acht het hof een verlenging van die maatregel, die op dit moment geen vrijheidsbeneming meer met zich brengt, niet in strijd met de beginselen van de proportionaliteit en de subsidiariteit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen