Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10710

Verdachte is, in verband met een zakelijk conflict met slachtoffer, vanuit Brazilië naar Nederland gereisd en heeft het slachtoffer ’s avonds op een parkeerterrein bij het Thialfstadion opgewacht en heeft hem daar toen een wapen getoond, terwijl het slachtoffer nietsvermoedend in zijn auto zat. Vervolgens is er iets gebeurd waardoor het slachtoffer gewond is geraakt aan zijn hand. De verdediging heeft om een aantal redenen, alle de overlevering van verdachte vanuit Spanje naar Nederland betreffend, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. In het geval het hof deze verweren niet volgt, heeft de verdediging betoogd dat het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie noodzakelijk is. Het hof oordeelt dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging. De toetsing van het Europees Aanhoudingsbevel geschiedt door de uitvoerende lidstaat, in dit geval Spanje. Deze toetsing van de Spaanse rechter heeft tot overlevering aan Nederland geleid. Ook het specialiteitsbeginsel (artikel 27 lid 2 Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten) vormt geen beletsel voor de vervolging van verdachte. De vervolging is naar het oordeel van het hof evident niet wegens andere feiten dan de feiten die de reden waren tot overlevering. De vermelding van ‘het Verenigd Koninkrijk’ op enkele plaatsen in het Europese Aanhoudingsbevel kan niet anders dan als een evidente omissie worden gezien. Het is duidelijk dat het een overlevering aan Nederland betreft. Er is geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het openbaar ministerie heeft de veroordeling gevorderd voor poging tot doodslag, ervan uitgaande dat het wapen dat verdachte in zijn hand had door hem is afgevuurd en dat het slachtoffer daar gewond door is geraakt. Het hof concludeert dat op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal niet kan worden vastgesteld wat de aard van het wapen was dat verdachte in zijn hand had en of hij daarmee heeft geschoten (al dan niet met scherp), en zo ja, in welke richting. Het slachtoffer is ernstig gewond geraakt aan zijn hand, maar hoe dat precies is gebeurd blijft onduidelijk. Hierbij acht het hof redengevend dat er geen sporen zijn gevonden in de auto die wijzen op schieten met scherp terwijl uit het verrichte forensische onderzoek evenmin met voldoende zekerheid is vast te stellen dat er een (scherpe) kogel is afgevuurd op het slachtoffer. Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot moord, poging tot doodslag, zware mishandeling en mishandeling. Ook de ten laste gelegde afpersing acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen. Het hof veroordeelt verdachte voor bedreiging tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken