Hof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8021

Twee huurders hebben de huurcommissie gevraagd om een redelijke huurprijs voor hun woningen vast te stellen. De huurcommissie heeft de huurders in het gelijk gesteld en de huurprijzen die zij tot dan toe betaalden, verlaagd. De verhuurder is het hier niet mee eens en gaat in beroep bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft de verhuurder in het ongelijk gesteld. Vervolgens gaat de verhuurder in hoger beroep. In dit geval geldt echter het appelverbod van art. 7:262 lid 2 BW. De argumenten van de verhuurder voor doorbreking van dit appelverbod zijn door het hof afgewezen. Volgens het hof gaat het hoofdzakelijk om een motiveringsklacht die niet ook als klacht over schending van fundamentele rechtsbeginselen kan worden aangemerkt en van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing van de kantonrechter is geen sprake. Het hoger beroep van de verhuurder wordt daarom verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken