Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1770

Artikel 5:79 BW bepaalt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan opheffen indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft en niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Over dit wetsartikel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:736) het volgende overwogen: “Reeds uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de beoordelingsmaatstaf uitgaat van alleen het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, hetgeen betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen (behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid). Deze uitspraak is bevestigd in het recent gewezen arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373. Het hof zal bij de beoordeling van de vraag of er al dan niet een redelijk belang bestaat bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid zoals die er nu ligt dan ook uitgaan van het aan de kant van verweerder gelegen belang, enige vorm van afweging van zijn belang tegen het belang van appellant is bij een vordering op grond van artikel 5.79 BW niet aan de orde, behoudens het geval van misbruik van bevoegdheid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken