Hof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:484

Hoger beroep tegen deelvonnis waarin ontbinding is uitgesproken en eindvonnis over afdracht ter zake van melkquotum. Door de dagvaarding van 24 juni 2015 is het hoger beroep tegen het deelvonnis van 29 mei 2015 weliswaar aangevangen, maar het hoger beroep heeft op grond van het bepaalde in art. 125 lid 5 Rv zijn aanhangigheid verloren omdat het exploot van 24 juni 2015 niet is aangebracht. Voor zover het hoger beroep zich richt tegen het eindvonnisgedeelte van het vonnis van 29 mei 2015, is appellant daarin niet-ontvankelijk. Appellant betoogt dat er geen sprake is van schade aan de zijde van de verpachter, omdat voor de omvang van de schade gekeken moet worden naar de waarde van het quotum bij gelegenheid van het reguliere einde van de pacht, terwijl het melkquotum inmiddels is afgeschaft en geen waarde meer heeft. Dit betoog is onjuist. Mede tegen de achtergrond van het beginsel zoals dat ten grondslag ligt aan de bepaling van artikel 6:104 Burgerlijk Wetboek, is het met de aard van de schade in overeenstemming om in een geval als het onderhavige de schade te begroten op 50% van de door de pachter behaalde verkoopopbrengst, voor zover toe te rekenen aan het gedeelte van het melkquotum dat met het verpachte samenhangt (Hof Arnhem 13 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY4601). Dat het melkquotum thans geen waarde meer vertegenwoordigt, doet daaraan niet af. De uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende rechtsgevolgen (artikel 6:248 lid 1 BW) van de contractuele verhouding tussen partijen brengen met zich dat de verpachter ook onder die omstandigheid aanspraak kan maken op de volgens vaste rechtspraak aan hem toekomende vergoeding in geval de pachter het melkquotum zonder toestemming van de verpachter buiten zijn beschikkingsmacht heeft gebracht (Hof Arnhem, 20 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7563).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken