Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5808
Art. 7:350 BW, Art. 31 Pachtwet (oud), Art. 57 Pachtwet (oud), Art. 7:904 BW Partijen hebben in de pachtovereenkomst een beding opgenomen ten aanzien van het melioratierecht. Artikel 57 Pachtwet (oud) heeft als oogmerk dat niet ten koste van de in de Pachtwet voorziene pachtersbescherming van bepalingen uit de Pachtwet bij pachtovereenkomst kan worden afgeweken, en is dus geschreven ter bescherming van de belangen van de pachter. Met het dwingendrechtelijk karakter van artikel 31 Pachtwet (thans art. 7:350 BW) strijdt niet een contractuele regeling die de pachter meer rechten geeft dan artikel 31 Pachtwet dat doet. Partijen mochten ook, door het opnemen van een bindend-adviesbeding, afwijken van de in art. 31 lid 4 Pachtwet opgenomen (verval)termijn, althans een beroep daarop door de verpachter is onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Partijen zijn aan de op grond van de pachtovereenkomst door de bindend adviseurs gegeven beslissing aangaande de vastgestelde waarde van de door de pachter aangebrachte verbeteringen gebonden, met dien verstande dat die beslissing vernietigbaar is indien gebondenheid in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 7:904 BW). Daarvan is geen sprake.
De uitspraak op rechtspraak.nl