Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9214
7:317, 7:397 BW Vastlegging van pachtovereenkomst. Geliberaliseerde pachtovereenkomst. Anders dan geïntimeerden veronderstellen, eist de wet niet dat een geliberaliseerde pachtovereenkomst als bedoeld in art. 7:397 lid 1 BW schriftelijk tot stand komt. Wel veronderstelt een zodanige overeenkomst dat partijen zijn overeengekomen dat in hun verhouding de bepalingen van de art. 7:313 lid 2, 7:319 lid 1 onder a, c en d, 7:325, 7:327, 7:328, 7:332, 7:333, 7:363 tot en met 7:374, 7:378 tot en met 7:384, 7:399a en 7:399c lid 1 BW niet van toepassing zullen zijn. Dit betekent niet dat per se deze bepalingen met zoveel woorden door partijen moeten zijn genoemd, maar wel dat partijen hun overeenstemming over en weer in de bedoelde zin hebben begrepen en hebben mogen begrijpen. Appellanten hebben onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat partijen voor het seizoen 2008-2009 een geliberaliseerde pachtovereenkomst zijn aangegaan. Volgt instructie met betrekking de inhoud van reguliere pachtovereenkomst.
De uitspraak op rechtspraak.nl