Hof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8109

Artikel 3:260 lid 1 BW bepaalt dat de hypotheekakte een aanduiding moet bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen worden bepaald. Bij de beantwoording van de vraag of aan dit vereiste is voldaan, komt het aan op de in de hypotheekakte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de vordering(en) waarvoor hypotheek wordt verleend. Aangezien in de onderhavige hypotheekakte de aanduiding van de debiteur ontbreekt, terwijl de akte ook overigens geen aanknopingspunten biedt aan de hand waarvan de vordering kan worden bepaald, is niet aan het hiervoor bedoelde vereiste voldaan. Nu niet aan dit vereiste is voldaan, is geen sprake van een rechtsgeldige hypotheekakte. De inschrijving van deze akte heeft dan ook niet tot gevolg gehad dat een hypotheekrecht is gevestigd. Naar het oordeel van het hof heeft de inschrijving van een rectificatie-akte als bedoeld in artikel 45 lid 2 van de Wet op het Notarisambt ter zake van de inschrijving van de nietige hypotheekakte, gelet op het bepaalde in artikel 3:262 BW, niet tot gevolg dat een tussentijds gevestigd hypotheekrecht zijn rang verliest. Daarmee kan in casu in het midden blijven of het litigieuze gebrek in de hypotheekakte zich leent voor herstel op de voet van artikel 45 lid 2 van de Wet op het Notarisambt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen