Hof Amsterdam 11 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1928
Leerstuk vereiste aangifte van toepassing in verrekenprijsgeschillen. Omkering en verzwaring bewijslast. Redelijke schatting Belanghebbende, X B.V., maakt deel uit van een internationaal opererend concern dat zich bezighoudt met de verwerking van agrarische grondstoffen. In geschil is of twee concernvennootschappen die deel uitmaken van een fiscale eenheid met belanghebbende als moedermaatschappij, in 2009 in het kader van een herstructurering van het concern alleen afzonderlijke activa en passiva hebben overgedragen aan een gelieerde, in Zwitserland gevestigde vennootschap, of dat zij daarnaast nog iets van aanvullende waarde hebben overgedragen dan wel prijsgegeven waarvoor deze vennootschappen ten onrechte geen vergoeding hebben bedongen. De inspecteur stelt dat dit laatste het geval is en dat belanghebbende om die reden niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e AWR. Het Hof is van oordeel dat ook in verrekenprijsgeschillen die onder de reikwijdte van artikel 8b Wet Vpb vallen, de bewijsrechtelijke sanctie van artikel 27e AWR kan worden toegepast. De in de wetsgeschiedenis van artikel 8b Wet Vpb besproken lichtere vorm van bewijsrechtelijke sanctie (omkering en geen verzwaring van de bewijslast) heeft uitsluitend betrekking op de niet-naleving van de in artikel 8b, derde lid, Wet Vpb opgenomen documentatieverplichting. In het onderhavige geval heeft het Hof geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de twee met belanghebbende gevoegde vennootschappen nog iets van additionele waarde hebben overdragen aan de Zwitserse gelieerde vennootschap waarvoor zij ten onrechte geen vergoeding hebben bedongen, dat de inspecteur (mede gelet op de door een deskundige berekende minimale waarde van hetgeen in totaal is overdragen) om die reden terecht een verrekenprijsprijscorrectie heeft aangebracht op de voet van artikel 8b Wet Vpb en dat hij bovendien aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e AWR, zodat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. Aangezien niet in geschil is dat belanghebbende aan de inspecteur alle relevante feiten en omstandigheden heeft verschaft waarop deze zijn redelijke schatting kan baseren, moeten in dit geval striktere eisen worden gesteld aan de redelijkheid van de schatting waarop de inspecteur zijn uitspraak op bezwaar heeft gebaseerd. Het hoger beroep van de inspecteur is deels gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1336
- HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26
- HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
- HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355
- HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1863
- HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311
- HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312
- HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083
- HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083
- HR 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7726
- HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4761
- HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4718