Hof Amsterdam 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1599
In het principaal beroep klaagt belanghebbende erover dat de rechtbank: het beroep heeft opgevat als mede gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaar van 6 juni 2019; geen dwangsom heeft toegekend voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over dat dwangsombeschikking; geen schadevergoeding heeft toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn; niet heeft beslist over wettelijke rente, en niet een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. De ontvanger heeft in het principaal hoger beroep alleen inhoudelijk verweer gevoerd over de vergoeding van proceskosten, met de strekking dat gemachtigde niet een derde is die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. In het incidenteel hoger beroep heeft de ontvanger aangevoerd dat de rechtbank: het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende; het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb van een bezwaarprocedure tegen de dwangsombeschikking geen sprake kan zijn, en ten onrechte de ontvanger heeft opgedragen om binnen twee weken na verzending van haar uitspraak alsnog uitspraak op het bezwaar van 25 november 2019 te doen op straffe van een dwangsom.
De uitspraak op rechtspraak.nl