Hof Amsterdam 13 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3529

Er is niet voldaan aan de onverwijldheidseis van artikel 7:677 lid 1 BW waardoor het ontslag op staande voet geen stand houdt. Werkgever heeft te lang gewacht met het instellen van een onderzoek naar de mogelijke dringende redenen. Het boetebeding in de arbeidsovereenkomst is rechtsgeldig overeengekomen. In de parlementaire geschiedenis (A.E. de Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst, tweede deel, Den Haag 1908, p. 339 e.v.) is geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat een boetebeding dat is gesteld op overtreding van een verbod op nevenwerkzaamheden van een werknemer als de onderhavige aan meer formaliteiten moet voldoen dan dat het beding schriftelijk is overeengekomen met een werknemer met een hoger loon dan het minimumloon. Met name is niet vereist dat het boetebeding uitdrukkelijk vermeldt dat de boete toekomt aan de werkgever, nu het beding juist bedoeld is om, in afwijking van de regeling omtrent de disciplinaire boete, wél betaling aan de werkgever mogelijk te maken en het wetsvoorstel specifiek daarvoor is aangepast. Werknemer heeft het verbod op nevenwerkzaamheden overtreden en is een boete verschuldigd die door het hof wordt gematigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken