Hof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3540
Klacht KBvG. Vervolg op tussenbeslissing (ECLI:NL:GHAMS:2019:3379, aanhouding i.v.m. onderzoek door BFT). De KBvG verwijt de gerechtsdeurwaarder – samengevat – het volgende: a. Een door de gerechtsdeurwaarder gehanteerde database is feitelijk in handen van de grootste opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. BRP- en DBR-bevragingen verlopen via dit systeem automatisch, evenals minnelijke aanmaningen, dagvaardingen en beslagexploten. De gerechtsdeurwaarder heeft niet meer de regie over zijn werkprocessen. Deze database is bovendien buiten het zicht van de auditor gehouden. b. Er wordt ‘blind’ beslag gelegd onder de belastingdienst op de Voorlopige Teruggaaf. Dat is strijdig met de in acht te nemen zorgvuldigheid en met de regelgeving omtrent het bevragen van het DBR. c. In 21.000 van de zaken waarin beslag is gelegd op de VT is tevens beslag gelegd op een ander inkomensbestanddeel. In ieder geval één van beide beslagen is onnodig kostenverhogend. Er is geen pondspondsgewijze verdeling van de beslagvrije voet toegepast. De beslagvrije voet is standaard op € 0,- bepaald. Het hof betrekt onderzoeksrapport BFT bij de beoordeling. De gerechtsdeurwaarder heeft gehandeld in strijd met artikel 12a Gdw, wettelijke bepalingen over de vaststelling van de beslagvrije voet en heeft onnodige kosten gemaakt. Het hof heeft alle klachtonderdelen gegrond verklaard en de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl