Hof Amsterdam 28 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:148

Wet USB – vorderingen tenuitvoerlegging in hoger beroep. Per 1 januari 2020 is de Wet Herziening Tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) in werking getreden (Stb. 2019, nr. 507). In de door de Wet USB ingevoerde artikelen 6:6:7, 6:6:21 en 6:6:22 Wetboek van Strafvordering is – anders dan in de tot 1 januari 2020 bestaande regeling – niet voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf op grond van overtreding van de algemene voorwaarde van het niet plegen van een nieuw strafbaar feit. Bij gebreke van andersluidende overgangsrechtelijke bepalingen geldt dat de gewijzigde wetsbepalingen niet van toepassing zijn op de behandeling van zaken van vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet USB. Het hof is daarom van oordeel dat voor wat betreft de toepasselijkheid van de bepalingen uit de Wet USB de datum van het vonnis in eerste aanleg beslissend is. De proceshandeling van het instellen van het hoger beroep wordt immers mogelijk vanaf het moment van het uitspreken van het vonnis.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen