Hof Amsterdam 5 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:822

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij zijn verplichtingen als bewaarder heeft geschonden en contante gelden heeft onttrokken aan pand- en retentierechten. Aangezien geen hoofdvordering is ingesteld, is het gelegde beslag tot afgifte komen te vervallen en had de gerechtsdeurwaarder de in bewaring genomen (contante) gelden volgens klaagster moeten terugbrengen naar de kluizen waar zij vandaan kwamen. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte niet het oordeel van de rechter afgewacht en zelf bepaald wie de rechthebbende op die gelden is. Doordat de gerechtsdeurwaarder de gelden heeft overgemaakt naar de huurster van de kluizen, zijn de pand- en retentierechten die klaagster op grond van de van toepassing zijnde huurvoorwaarden heeft op de inhoud van de gehuurde kluizen, tenietgegaan. De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer - waarbij de klacht als kennelijk ongegrond was afgewezen - gegrond verklaard, de beslissing van de voorzitter vernietigd, de klacht gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd met de aanzegging dat indien andermaal een van de in artikel 34, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen. Het hof bevestigt de bestreden beslissing. Vast staat dat in deze zaak is geen eis in de hoofdzaak ingesteld, zodat het gelegde conservatoir beslag tot afgifte van rechtswege is komen te vervallen. Dit betekent dat de in beslag en in bewaring genomen zaken dienden te worden teruggebracht in de situatie van vóór de beslaglegging, te weten in de kluizen van klaagster. Kostenveroordeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen