Hof Amsterdam 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:408
De aanduiding “voor alle weren” in de wet moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid bestaat om de desbetreffende incidentele vordering in te stellen alvorens ten principale te antwoorden als bedoeld in artikel 128 lid 3 Rv. Indien gedaagde in de hoofdzaak voor antwoord staat kan hij dus een dergelijke incidentele vordering instellen in plaats van in de hoofdzaak te concluderen voor antwoord. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten voor gesteld misbruik van procesrecht. en oordeelt anders. Ook na de afwijzing van het uitstelverzoek bestond nog steeds het recht om deze incidentele vordering in te stellen. Dat de incidentele vordering bij voorbaat kansloos was, is naar oordeel van het hof niet evident. In het kader van de beantwoording van de vraag of akte niet-dienen moest worden verleend, kon en mocht de rechtbank ook niet vooruitlopen op de toewijsbaarheid van deze incidentele vordering.
De uitspraak op rechtspraak.nl