Hof Amsterdam 10 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:408

Landinrichtingsrente. Het Hof leidt uit de overwegingen van het arrest BNB 2006/219 de rechtsregel af dat het voorschrift van artikel 229, vierde lid, Liw niet aan een belanghebbende kan worden tegengeworpen indien diens grieven (tegen de aanslag landinrichtingsrente) zich richten tegen latere aanpassingen aan de lijst geldelijke regelingen (LGR) waarmee hij op het tijdstip dat hij bezwaar kon maken tegen de LGR geen rekening kon houden. In het onderhavige geval is daarvan echter geen sprake, nu de grieven van belanghebbende dezelfde zijn zoals eerder naar voren gebracht in zijn bezwaar tegen de ter inzage gelegde LGR. Het Hof komt daarom in de onderhavige procedure niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes grieven tegen de wijze waarop de rechtbank tot sluiting van de LGR is overgegaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken