Hof Amsterdam 4 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3099

- Op de zaak betrekking hebbende stukken: de stukken uit het strafdossier waarvan [A], [G] en [L] kennis hebben genomen behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken en er doet zich niet een gewichtige reden voor die het niet-overleggen van die stukken rechtvaardigt. Het Hof is van oordeel dat in dit geval aan het niet-overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken geen gevolgen moeten worden verbonden. - Het op verzoek van belanghebbende horen van getuigen: de heren [A], [G] en [L] dienen als getuigen te worden gehoord. De omstandigheid dat zij nauw betrokken zijn geweest bij de aanslagregeling en/of het doen van uitspraken op bezwaar, brengt niet mee dat zij in procedurele zin als “de inspecteur” en daarmee als procespartij moeten worden aangemerkt, en evenmin dat zij met hem dienen te worden vereenzelvigd. - De woonplaats: er was sprake van een duurzame band van persoonlijke aard tussen belanghebbende en Nederland. Belanghebbende woonde in Nederland, was in de onderhavige jaren binnenlands belastingplichtig en voor de toepassing van het Verdrag inwoner van Nederland. - De vereiste aangiften zijn niet gedaan: de adviseurs van belanghebbende hadden zich er minstgenomen bewust van moeten zijn dat belanghebbende naar de omstandigheden beoordeeld duurzame banden van persoonlijke aard met Nederland onderhield en derhalve binnenlands belastingplichtig was. Evenzeer hadden die adviseurs zich er bewust van moeten zijn dat de feiten niet de conclusie rechtvaardigden dat belanghebbende voor de toepassing van het Verdrag geen inwoner van Nederland was. Bij het doen van aangiften moeten zij zich – mede gelet op de evidentie van de verschuldigdheid van belasting ter zake van [ADRES 7] – ervan bewust zijn geweest dat door de inhoudelijke gebreken in de aangiften een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Kennis en inzicht van die adviseurs worden aan de belastingplichtige toegerekend. Omkering en verzwaring van de bewijslast. - Navordering en kwade trouw: het dient ervoor te worden gehouden dat ten aanzien van de aangiften IB/PVV 2003 en 2004 geen sprake is van kwade trouw voor zover daarin het standpunt is ingenomen dat belanghebbende buitenlands belastingplichtige was. Niet bewezen wordt geacht dat belanghebbende en/of zijn adviseurs op dit punt willens en wetens onjuist aangiften hebben gedaan, dat minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de aangiften (op dit punt) onjuist zijn. Voor het niet-vermelden van enkele posten in zijn aangiften is belanghebbende wel te kwader trouw. Ter zake daarvan zijn de inspecteur de juiste inlichtingen onthouden. De omstandigheid dat de inspecteur niet beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit staat derhalve in zoverre niet aan navordering over 2003 en 2004 in de weg. - Slotsom belastingaanslagen en boeten: de beslissing van de rechtbank ter zake van de belastingaanslagen en boeten wordt – met verbetering van de gronden – gehandhaafd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken