Hof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5750
Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende in de jaren 2002 tot en met 2006 zijn woonplaats in Nederland had in de zin van artikel 4 van de AWR; belanghebbende maakt niet aannemelijk dat hij Nederland metterwoon heeft verlaten. Voorts is het Hof van oordeel dat belanghebbende dient te worden aangemerkt als de uiteindelijk gerechtigde tot de aandelen in twee Zwitserse vennootschappen; bij dit oordeel heeft het Hof – anders dan de rechtbank – de bewijslast omgekeerd en verzwaard vanwege het niet doen van de vereiste aangiften
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 4 AWR
- Artikel 16 AWR
- Artikel 1:81 BW1
- Artikel 6a Vpb
- Artikel 7:266 BW7
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 10:3 Awb
- Artikel 2.1 Wet IB 2001
- Artikel 3.20 Wet IB 2001
- Artikel 4.13 Wet IB 2001
- Artikel 4.14 Wet IB 2001
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden