Hof Amsterdam 24 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5119

Aanvullend invoerrecht. Uit artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1484/95 volgt naar 's Hofs oordeel dat, wanneer de goederen zijn afgezet op de EU-markt tegen prijzen die onder de vastgestelde representatieve prijzen liggen, aanvullende invoerrechten verschuldigd zijn. Ook in het geval geen zekerheid is gesteld kunnen deze rechten op grond van artikel 220, lid 1, CDW nagevorderd worden. Uit de wetssystematische interpretatie van de regelgeving en uit doel en strekking van het EU-landbouwbeleid volgt dat de inspecteur de aanvullende rechten op de juiste wijze heeft berekend. Omdat geen sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW is de inspecteur niet gehouden af te zien van navordering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen