Hof Amsterdam 22 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3985
Verwijzing. Door het goed niet binnen de vervoerstermijn aan te brengen bij het kantoor van bestemming heeft belanghebbende niet voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van de regeling extern douanevervoer. Hierdoor ontstaat een douaneschuld op de voet van artikel 204 van het CDW, tenzij het verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleken voor de juiste werking van de regeling extern douanevervoer. Verzuimen zonder werkelijke gevolgen worden limitatief opgesomd in artikel 859 van de UCDW. Nu belanghebbende voor de overschrijding van de vervoerstermijn geen enkele verklaring heeft gegeven, heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat de voorwaarden van artikel 859 van de UCDW zijn vervuld. Belanghebbende kan daarom geen aanspraak maken op terugbetaling van de geheven douanerechten op de voet van artikel 236 van het CDW en evenmin op terugbetaling van de ter zake van invoer geheven omzetbelasting op de voet van artikel 110a Douaneregeling. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl