Hof Amsterdam 11 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5186
Fiscale eenheid van binnenlandse dochters/zusters van buitenlandse (EU) moeder (en tussenhoudster) toegestaan. Omdat in de binnenlandse situatie een moedervennootschap ervoor kan kiezen om haar binnenlandse dochter-/zustervennootschappen tezamen in een f.e. op te nemen en dit niet mogelijk is ingeval de moeder in een andere EU-lidstaat is gevestigd, vormt het f.e.-regime een beperking van de vrijheid van vestiging. In beginsel vormt het fiscalecoherentiebeginsel daarvoor een rechtvaardigingsgrond, namelijk voor zover bij de moeder van de f.e. geen liquidatie- en financieringsverliezen kunnen ontstaan ter zake van gevoegde (achter)(klein)dochters. In de onderhavige casus kunnen dergelijke Nederlandse verliezen echter niet optreden en daarom vormt de coherentie van de regeling geen rechtvaardigingsgrond. Er is sprake van een verboden beperking. Het Hof wijst een van de binnenlandse zusters als moeder van de f.e. aan. Het Besluit proceskosten bestuursrecht voldoet aan de eisen van het EU-recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Wattel 21 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:69
- Conclusie A-G Wattel 16 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2
- HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7489
- HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4211
- HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929
- HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810
- HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2756
- HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2521