Hof Amsterdam 24 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3185

Het op 03-12-2008 (tardief) ingezonden aangiftebiljet Vpb 2004, waarin belanghebbende de HIR per ultimo van dat jaar liet vrijvallen, dient te worden aangemerkt als een feit dat grond oplevert voor het vermoeden dat de aanslag tot een te laat bedrag was vastgesteld (art. 16, lid 1, AWR). Er is geen sprake van een navordering verhinderend ambtelijk verzuim, hoewel de inspecteur op het moment dat hij de primitieve aanslag voor het jaar 2004 oplegde behoorde te weten dat de toenmalige gemachtigde van belanghebbende zich in een hoorgesprek in een bezwaarprocedure met betrekking tot een ander jaar op het standpunt had gesteld dat de HIR in 2004 zou vrijvallen. Een dergelijke mededeling in een hoorgesprek is niet op één lijn te stellen met een feitelijk door belanghebbende in een aangifte voor het jaar 2004 in aanmerking genomen vrijval.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen