Hof Amsterdam 19 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4897

Hoger beroep tegen twee beslissingen van de (fungerend) voorzitter van de kamer voor het notariaat, waarbij de (fungerend) voorzitter de notaris heeft geschorst in de uitoefening van zijn ambt als notaris en een waarnemer heeft benoemd met vaststelling van diens honorarium alsmede hoger beroep tegen beslissing van de kamer voor het notariaat waarbij de kamer de schorsingsbeslissing van de (fungerend) voorzitter heeft bekrachtigd. Het hof dient allereerst te beslissen op het betoog van de notaris, dat het per 1 januari 2013 in werking getreden gewijzigde artikel 26 Wna niet van toepassing is op de onderhavige zaak. Nu de wetgever met betrekking tot deze bepaling niet heeft voorzien in een overgangsregeling, is het hof (met de kamer) van oordeel dat dit artikel onmiddellijke werking heeft. Weliswaar dateert de rechterlijke uitspraak waarbij de notaris is veroordeeld van 21 december 2012, maar aangezien het feit van veroordeeld zijn per 1 januari 2013 aanwezig is, is artikel 26 lid 1 sub c Wna ook alsdan toepasselijk. In die zin is van een terugwerkende kracht van die bepaling dan ook geen sprake. Gelet op het onder 5.2. tot en met 5.5. overwogene faalt het betoog van de notaris dat de beslissing van de (fungerend) voorzitter tot schorsing een wettelijke grondslag ontbeert. Het hof volgt de notaris evenmin in zijn stelling dat de (fungerend) voorzitter bij de toepassing van artikel 26 lid 1 sub c Wna zijn taak heeft miskend. De notaris heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kamer niet heeft getoetst of de beslissing van de (fungerend) voorzitter te voortvarend is geweest en of de (fungerend) voorzitter wel voldoende oog heeft gehad voor de positie van de notaris. Gelet op het onder 5.4.1. tot en met 5.4.3. overwogene dient deze beroepsgrond te worden verworpen nu de voorzitter in dit geval geen beleidsruimte heeft. De schorsingsbeslissing van de voorzitter wordt binnen vier weken inhoudelijk getoetst door de kamer, aan wie (in tegenstelling tot de voorzitter) wel beoordelingsvrijheid toekomt. Het hof is van oordeel dat de gedragingen waarvan de notaris wordt verdacht dusdanig ernstig zijn en in strijd komen met de kern van de notariële ambtsbediening, dat de bescherming van cliënten en andere derden tegen een notaris met een dergelijk gebrek aan beroepsethiek vergt dat de ordemaatregel van schorsing wordt bekrachtigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen