Hof Amsterdam 10 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4520

Niet is komen vast te staan dat aan erflaatster op enig moment het legaat van vruchtgebruik van de nalatenschap van de vader is afgegeven, dan wel dat erflaatster feitelijk het vruchtgebruik van de nalatenschap van de vader heeft gehad. Ook is niet gebleken dat een van de betrokkenen ooit is uitgegaan van het bestaan van het vruchtgebruik van de nalatenschap van de vader ten behoeve van erflaatster. Dat de notaris zich jegens klagers op het standpunt heeft gesteld dat hun rechten uit hoofde van hun erfgenaamschap waren verjaard, acht het hof derhalve verdedigbaar. De notaris is (voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald) ingevolge artikel 22 van de Wet op het notarisambt verplicht tot geheimhouding van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennis neemt en de notaris behoefde aan klagers als buitenstaanders in de nalatenschap van erflaatster (klagers zijn immers geen erfgenamen van erflaatster) over die nalatenschap en over de wijze van totstandkoming van haar testament geen inlichtingen te geven. Het hof komt tot de slotsom dat de notaris bij de afwikkeling en verdeling van de nalatenschap van erflaatster voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van klagers in verband met de door hun gestelde aanspraken op de nalatenschap van de vader.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen