Hof Amsterdam 24 juli 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ5444

Niet-ontvankelijkheid. Klaagster was geen partij bij de akte houdende wijziging van het testament en was evenmin belanghebbende bij die akte in de zin van de artikelen 49 en 49b Wna. Er zijn evenwel situaties denkbaar waarin een klager als belanghebbende moet worden aangemerkt terwijl hij niet valt onder één van de categorieën genoemd in die artikelen. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige situatie klaagster niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Klaagster is geen erfgenaam en/of begunstigde van erflaatster en heeft die hoedanigheid ook niet verloren tengevolge van de wijziging van het testament van erflaatster. Het feit dat klaagster door erflaatster in het voorlaatste testament als executeur is aangewezen is op zichzelf onvoldoende. Zij heeft weliswaar gedurende een periode van ruim twaalf jaar de financiële belangen van erflaatster behartigd, maar reeds omdat die relatie haar oorsprong vond in het feit dat bij de aanvang van die periode – en nog een aantal jaren daarna – klaagster werkzaam was op het notariskantoor alwaar het voorlaatste testament van erflaatster werd verleden, voert die omstandigheid niet tot een ander oordeel. Dat klaagster erflaatster minimaal twee keer per jaar in haar hoedanigheid van vertrouwenspersoon in privé-tijd bezocht, wordt van onvoldoende grond geacht om haar alsnog aan te merken als belanghebbende in deze zaak. Het feit dat klaagster, zoals de kamer het formuleert, als enige goed geïnformeerd was ten aanzien van de (naar het hof begrijpt: voorlaatste) uiterste wilsbeschikking van erflaatster brengt het hof – wat er zij van de juistheid van die veronderstelling – evenmin tot een ander oordeel. Nu klaagster ook anderszins geen zelfstandig belang heeft bij het handelen waarover wordt geklaagd en zij evenmin optreedt als gemachtigde van één van de erfgenamen c.q. belanghebbenden, kan klaagster niet worden ontvangen in haar klacht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen