Hof Amsterdam 3 juli 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BD6518

Doorbreking van de niet-ontvankelijkheid inzake een tussenbeslissing van de kamer. De beslissing van de kamer waartegen het verzoekschrift zich richt betreft een instructie aan de notaris om mr. Vanderveen als notarislid van de kamer inzage te verlenen in het testamentair dossier van erflaatster, waarna mr. Vanderveen de kamer zal informeren of de stellingen van de notaris overeenkomen met de bevindingen uit het dossier. Een dergelijke beslissing maakt geen einde aan de procedure, ook niet ten aanzien van enig onderdeel van de klacht, en kan dan ook niet worden aangemerkt als een einduitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van de notaris - in beginsel - niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In het onderhavige geval bestaat echter grond voor een uitzondering op genoemd beginsel. Daarnaar gevraagd hebben partijen ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de kamer in het midden heeft gelaten op welke wijze de behandeling van de klacht door de kamer wordt voortgezet na de verslaglegging door mr. Vanderveen. Het hof gaat er vanuit dat het in de bedoeling van de kamer ligt dat mr. Vanderveen deel blijft uitmaken van de kamer die over de zaak een eindbeschikking zal geven. Een dergelijke gang van zaken is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, meer in het bijzonder met het beginsel van hoor en wederhoor. Mr. Vanderveen is immers – naast de notaris – de enige die op de hoogte is van de inhoud van het testamentair dossier. De door de kamer gekozen wijze van handelen brengt mee dat de leden van de kamer bij de beoordeling van de klacht van verschillende dossiers uitgaan en dat in die beoordeling de inhoud van stukken wordt betrokken waarvan één van de partijen geen kennis heeft kunnen nemen. Deze – dreigende – schending van beginselen van een behoorlijke procesorde en dus van de openbare orde rechtvaardigt een uitzondering op artikel 107 Wna.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen