Hof Amsterdam 27 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6048

De bevindingen van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) houden in dat de vennootschap jarenlang een beleid heeft gevoerd dat erop gericht was om geen eindafrekening te verzenden aan (voormalige) klanten aan wie zij volgens die eindafrekening nog geld verschuldigd was en dat dit beleid mede werd uitgevoerd door “directieleden” van de vennootschap. Deze handelwijze doet ernstig twijfelen aan de integriteit van degenen die functioneerden als feitelijke bestuurders van de vennootschap. De ernst en omvang van de malversaties, de betrokkenheid van (feitelijke) bestuursleden daarbij en de wetenschap dat een en ander voorwerp was van onderzoek door de NMa bracht mee dat de vennootschap daarover openheid diende te betrachten jegens haar aandeelhouders, in het bijzonder jegens de 30%-minderheidsaandeelhouder, omdat de 70%-meerderheidsaandeelhouder (tevens bestuurder van de vennootschap) daarvan reeds op de hoogte was gegeven het feit dat dezelfde personen feitelijk de bestuurders waren van zowel de vennootschap als deze meerderheidsaandeelhouder/bestuurder. De verplichting tot het geven van openheid van zaken klemt te meer omdat er een evident tegenstrijdig belang bestaat tussen de bestuurder en (voormalig) feitelijk bestuurders enerzijds en de vennootschap anderzijds bij de beantwoording van de voor de hand liggende vraag of de bestuurder op de voet van artikel 2:9 BW jegens de vennootschap aansprakelijk is voor de door haar geleden en te lijden schade als gevolg van de malversaties. De vennootschap heeft deze openheid van zaken stelselmatig niet verschaft. Ernstig te betwijfelen valt of het aanblijven van de bestuurder van de vennootschap en het recente - na indiening van het verzoekschrift - aantreden van de levenspartner van een van de (voormalig) feitelijk bestuurders als enige (indirecte) bestuurder van de vennootschap strookt met de toezegging aan de NMa dat de (voormalig) feitelijk bestuurders “per 1 januari 2012 hun functie als directeur van de vennootschap” neerleggen. De vennootschap en haar bestuurder hebben niet de vraag onder ogen gezien of de bestuurder jegens de vennootschap aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van genoemde malversaties. Aannemelijk is dat de omstandigheid dat de bestuurder tot op heden niet is afgetreden samenhangt met het genoemde tegenstrijdige belang. Een en ander levert een gegronde reden op om te twijfelen aan de juistheid van het beleid van de vennootschap. Een onderzoek wordt bevolen. Voorts is het gelet op het hiervoor beschreven tegenstrijdige belang tussen de vennootschap en haar bestuurder, en op de omstandigheid dat de levenspartner van een van de (voormalige) feitelijk bestuurders thans de enige (indirecte) bestuurder is van de vennootschap, noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening de bestuurder van de vennootschap te schorsen en een onafhankelijke derde tot bestuurder te benoemen. De hierboven genoemde redenen voor schorsing van de bestuurder van de vennootschap, de thans op diverse belangrijke punten bestaande impasse in de algemene vergadering van aandeelhouders en de consequenties van die impasses maken het voorts noodzakelijk om de door de meerderheidsaandeelhouder gehouden aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een onafhankelijke derde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen