Hof Amsterdam 22 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0112
Belanghebbende is importeur. Zij betaalde bedragen, aangeduid als commissie aan F. Vaststaat dat de door F voor belanghebbende verrichte werkzaamheden bestaan uit het nemen van monsters, verrichten van kwaliteitscontroles, controle van de goederen voor verzending, het samenstellen van alle benodigde documenten, boekingen verrichten en de verzending verzorgen. F is met betrekking tot de litigieuze transacties niet opgetreden als vertegenwoordiger van belanghebbende bij de aankoop van goederen. Het Hof concludeert dat geen sprake is van inkoopcommissies in de zin van artikel 32, lid 4, en artikel 33, onder e, van het CDW. Ten aanzien van de verbindenheid van artikel 54 Douanebesluit concludeert het Hof concludeert dat artikel 3 van de Douanewet, bezien in samenhang met de artikelen 1 en 2, van deze wet voldoende basis bieden om de in artikel 201, lid 3 van het CDW genoemde nationale bepalingen op te nemen in artikel 54 van het Douanebesluit. Dat de regeling van principiële betekenis is doet hier niet aan af. Steun voor dit oordeel vindt het Hof in de parlementaire geschiedenis van artikel 3 van de Douanewet Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de verstrekte gegevens voor de opstelling van de douaneaangifte verkeerd waren. Belanghebbende is derhalve terecht als schuldenaar aangemerkt. De hoger beroepen van belanghebbende zijn ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl