Hof Amsterdam 5 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3020
Het hof bepaalt dat [appelante] ontvankelijk is in hoger beroep hoewel het beroepschrift is ingediend door een gemachtigde. Dit omdat op grond van artikel 46 Wbp het verzoek kan worden ingediend door een gemachtigde en aan het ontbreken van een gelijkluidende wettelijke bepaling ten aanzien van het indienen van een beroepschrift niet de conclusie kan worden verbonden dat de wetgever deze bevoegdheid in beroep enkel aan een advocaat heeft willen doen toekomen. Het hof wijst voorts het verzoek van [appelante] ex artikel 46,2 Wbp om te bevelen dat ABN bepaalde gegevens zal verstrekken af, omdat het in artikel 35 Wbp neergelegde inzagerecht zich niet uitstrekt tot (elektronische) correspondentie tussen medewerkers en de verantwoordelijke, die persoonlijke aantekeningen/gedachten bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad. Dit wordt niet anders indien deze stukken gedeeld worden met andere werknemers. Dit rechtvaardigt niet de conclusie dat de stukken bedoeld zijn om tezamen met andere persoonsgegevens in een bestand te worden opgenomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl