Hof Amsterdam 6 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7225
Belanghebbende (X NV) maakt deel uit van een verzekeringsconcern. In 2000 wordt het in twee afzonderlijke groeifondsen belegde vermogen ondergebracht in belanghebbende. In 1998 waren er binnen het concern eveneens vermogens uit twee groeifondsen in belanghebbende ondergebracht, waarbij met goedkeuring van de inspecteur de bedrijfsfusievrijstelling kapitaalsbelasting was toegepast. In zijn arresten van 3 april 2009, nrs. 43.634 (LJN: BD1031, BNB 2009/152) en 43.635, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bedrijfsfusievrijstelling niet van toepassing is op de inbreng in 2000. De zaken zijn door de Hoge Raad verwezen voor nader onderzoek naar belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Na verwijzing oordeelt het Hof dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur in 1998 ervan op de hoogte was dat de inbreng van twee fondsen in dat jaar deel uitmaakte van een meeromvattend hergroeperingsproces. Door zich in 1998 zonder voorbehoud schriftelijk akkoord te verklaren met toepassing van de vrijstelling heeft de inspecteur het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat deze vrijstelling ook voor toekomstige, vergelijkbare inbrengen in het kader van hetzelfde hergroeperingsproces heeft te gelden. In de gegeven omstandigheden handelde de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door dit gewekte vertrouwen in 2000 met onmiddellijke ingang per brief te willen beëindigen. Daarbij heeft het Hof onder andere meegewogen dat belanghebbende inmiddels concrete vervolgstappen had gezet ter voorbereiding van de inbreng van de fondsen in 2000 en daarvoor kosten had gemaakt. Gelet hierop dient ook de inbreng van twee fondsen in 2000 te worden vrijgesteld van kapitaalsbelasting.
De uitspraak op rechtspraak.nl