Hof Amsterdam 22 februari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ0053

Ofschoon het tuchtrecht zoals vervat in de Gerechtsdeurwaarderswet het begrip ne bis in idem niet met zoveel woorden kent, moet worden aangenomen dat ook in het tuchtrecht die regel geldt. Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ is of de gerechtsdeurwaarder over wie geklaagd wordt in redelijkheid heeft kunnen menen dat met de beoordeling van het tuchtrechtelijk aspect in een eerdere zaak, de tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen is beëindigd. Voorts is het hof het met de KBvG eens dat de grond voor de (tweede) klacht van de KBvG in onderhavige zaak is gelegen in het feit dat gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder zich niet houdt aan duidelijke uitspraken van de kamer zoals eerdergenoemde beslissing. Het hof rekent het de gerechtsdeurwaarder ernstig aan dat hij na eerdergenoemde beslissing van de kamer bewust is doorgegaan met zijn door de tuchtrechter inmiddels gelaakte handelwijze en stelt vast dat de gerechtsdeurwaarder daarmee te kennen heeft gegeven geen respect te hebben voor het tuchtrechtelijke oordeel. Op grond van dit een en ander sluit het hof zich aan bij de kamer voor wat betreft de maatregel. Het hof zal dan ook de door de kamer aan de gerechtsdeurwaarder opgelegde maatregel van schorsing voor de duur van drie maanden en de wijze van tenuitvoerlegging daarvan bekrachtigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen