Hof Amsterdam 13 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BP2459

Afspraken met getuigen; kluisverklaring; openbaar ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging; terugwijzing door het gerechtshof. Het hof stelt vast dat sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 226g, vierde lid, Sv. Gezien de bedoeling van de wetgever met dit artikel zoals deze naar voren komt uit de parlementaire beraadslagingen die aan invoering daarvan zijn voorafgegaan, en voorts gelet op de inhoud van de Aanwijzing, is het bepaalde in artikel 226h, vierde lid, Sv op dergelijke situaties van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat, nu er geen afspraak tot stand is gekomen tussen de getuige en de officier van justitie, in de zin van artikel 226g, vierde lid, Sv, de reeds door de getuige afgelegde verklaring niet bij de processtukken wordt gevoegd. Daarmee is de verklaring van de getuige in deze zaak geen processtuk in de zin van artikel 33 Sv. Er is dan ook geen sprake van een schending van een fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde door de officier van justitie in deze zaak. Derhalve heeft de rechtbank Amsterdam de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof wijst de zaak om die reden terug naar de rechtbank te Amsterdam.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen