Hof Amsterdam 18 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM5014
Negatieve bewaringspositie. Met de kamer is het hof van oordeel dat de drie klachtonderdelen gegrond zijn. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder betoogd dat de problemen nagenoeg opgelost zijn, dat er weer winst wordt gemaakt en dat de negatieve bewaringspositie is teruggebracht tot circa € 1.600,-. Dit laat echter onverlet dat er sedert 2003 sprake is van een opeenvolging van tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klachten in verband met een negatieve bewaringspositie die steeds gegrond zijn bevonden en waarvoor steeds in zwaarte oplopende tuchtrechtelijke maatregelen zijn opgelegd. Het hof rekent het hem zwaar aan dat hij op deze wijze zijn kantoor heeft gevoerd. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing voor een langere duur maar dat slechts de maatregel van ontzetting passend en geboden is. In zoverre zal de beslissing van de kamer worden vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl