Hof Amsterdam 25 november 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5715
Daargelaten of hoger beroep tegen een tussenbeslissing als de onderhavige (strekkende tot aanhouding van de beslissing) in zijn algemeenheid mogelijk is, overweegt het hof dat met betrekking tot een beslissing op een verzoek tot schorsing slechts beroep mogelijk is in de in artikel 38 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet (verder: Gdw) genoemde gevallen, te weten in geval door de kamer een beslissing is genomen tot schorsing van een gerechtsdeurwaarder of van een beslissing tot verlenging van een zodanige schorsing en van een besluit tot opheffing van een schorsing. In dat geval kent artikel 38 lid 6 Gdw aan de Minister van Justitie en aan de betrokken gerechtsdeurwaarder de bevoegdheid toe om – binnen dertig dagen na de mededeling als bedoeld in artikel 38 lid 2 Gdw – beroep in te stellen bij dit hof. Hoewel zeer goed denkbaar zou zijn dat de KBvG als beroepsorganisatie gelet op haar wettelijke taak eveneens bevoegd zou zijn tot het indienen van onderhavige verzoeken, heeft de wetgever daar kennelijk niet voor gekozen. Nu de beslissing waarvan beroep niet is een beslissing in de zin van artikel 38 lid 2 Gdw en dit beroep bovendien niet is ingesteld door een van de aldaar genoemden, dient de KBvG in het door haar ingestelde hoger beroep reeds op die grond niet ontvankelijk te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl