Hof Amsterdam 21 april 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BD2064
Door de combinatie van de door de inhoudingsplichtige opgemaakte reisverklaring met de plaatsbewijzen kan het (directe) verband worden gelegd tussen het woon-werkverkeer en het daadwerkelijk op bepaalde dagen met het openbaar vervoer afgelegde traject. Naar ’s Hofs oordeel vormen de plaatsbewijzen derhalve een essentieel onderdeel van het te leveren bewijs. Het Hof concludeert dat noch uit de tekst van de desbetreffende artikelen uit de wet en Uitvoeringsregeling, noch uit de wetsgeschiedenis en de toelichting bij de Uitvoeringsregeling blijkt dat dit bewijs op een alternatieve wijze kan worden geleverd.
De uitspraak op rechtspraak.nl