Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6708
Ten aanzien van de geheimhoudingsplicht van de notaris is voorts nog van belang dat die niet absoluut is, omdat – in zeer uitzonderlijke gevallen – omstandigheden denkbaar zijn waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven de geheimhoudingsplicht. Door het BFT is in hoger beroep aangevoerd dat het zijn toezichthoudende taak inzake de Wet Mot en de Wid niet naar behoren kan vervullen indien het niet de voor dat toezicht vereiste gegevens ontvangt. Nu in de aan het hof voorgelegde zaken enerzijds sprake is van het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking om bijstand en advies tot een notaris moet kunnen wenden en anderzijds het – eveneens – maatschappelijk belang dat aan de Wet Mot en de Wid ten grondslag is gelegd, behoort een belangenafweging plaats te vinden. Naar het oordeel van hof leidt die afweging van belangen niet tot de gevolgtrekking dat de notaris gehouden is de door het BFT gevorderde inlichtingen te vertrekken. Aan dat oordeel ligt ten grondslag het vertrouwen dat men in het algemeen mag hebben in het notariaat, alsmede de resterende mogelijkheden om achteraf op te treden als een transactie in de openbaarheid komt en blijkt dat die – ten onrechte – niet is gemeld. De vorderingen betreffen bovendien niet noodzakelijkerwijs ongebruikelijke transacties. Voorts is de noodzaak om de naleving van de Wet Mot en de Wid door het notariaat te kunnen controleren, niet een zo zwaarwegend vereiste van algemeen belang dat daarvoor zonder wettelijke grondslag het beroepsgeheim kan worden beperkt. Aldus wordt immers aan het wezen van het beroepsgeheim, zoals dat hiervoor is omschreven, afbreuk gedaan, terwijl niet is gebleken dat vorderingen als de onderhavige de enige mogelijkheid bieden om de juiste naleving van de Wet Mot en de Wid te verzekeren.
De uitspraak op rechtspraak.nl