Hof Amsterdam 16 november 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2635

Artikel 24 lid 1 Wet voorkeursrecht gemeenten. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht is het hof van oordeel dat de notaris geen verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen, te weten het plaatsen van de voetverklaring onder de leveringsakte. De notaris heeft betoogd dat hij, alvorens dat te doen, literatuur en jurisprudentie heeft geraadpleegd en dat hij op grond daarvan tot de conclusie is gekomen dat er voor hem geen redenen waren zijn ministerie te weigeren. Het hof neemt bij zijn beoordeling in aanmerking dat de notaris, naar hij onweersproken en gedocumenteerd heeft gesteld, na bestudering van de wetsgeschiedenis van de Wvg en de daarop gebaseerde jurisprudentie tot de conclusie is gekomen dat voor het bestaan en ontstaan van een voorkeursrecht van de pachter niet is vereist dat de pachtovereenkomst waaruit dit voorkeursrecht voortvloeit, is tot stand gekomen voorafgaande aan het ontstaan van het voorkeursrecht krachtens de Wvg. Ook heeft hij, eveneens op grond van wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, gemeend dat de al dan niet kennelijke strekking van de pachtovereenkomst afbreuk te doen aan het voorkeursrecht op grond van de Wvg niet relevant is. Het hof kan de notaris hierin volgen. Bij de notaris behoefde, naar het oordeel van het hof, geen redelijke twijfel te bestaan omtrent de juistheid van de door hem te plaatsen en ook geplaatste voetverklaring, welke twijfel hem, indien wel aanwezig, van het plaatsen van die verklaring had moeten weerhouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen