Hof Amsterdam 12 juni 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AX8851

De Douanekamer stelt voorop dat het bepaalde in artikel 23 van de Wet OB geen faciliteit, doch een dwingendrechtelijke bepaling is. De in deze bepaling opgenomen zogeheten verleggingsregeling wordt derhalve toegepast indien de goederen op het tijdstip waarop zich het belastbare feit invoer voordoet, bestemd zijn voor aangewezen ondernemers als bedoeld in – voorzover hier van belang – de artikelen 17 en 18 van de Uitvoeringsbeschikking. Wordt ten tijde van de invoer niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 23 van de Wet OB, dan vindt de heffing ter zake van invoer plaats met inachtneming van het bepaalde in artikel 22 van de Wet OB. Nu de door belanghebbende ingevoerde goederen, als omschreven onder 2.2.1. niet zijn opgenomen in de bij de uitvoeringsbeschikking behorende bijlage A, moet worden vastgesteld dat deze niet behoren tot de goederen waarvoor op grond van artikel 17 van de uitvoeringsbeschikking voor de toepassing van artikel 23 van de Wet OB alle ondernemers zijn aangewezen. Gelet op de feiten moet mitsdien worden vastgesteld dat in het onderhavige geval uitsluitend aan toepassing van artikel 23 van de Wet OB kan worden toegekomen, indien de importeur op het tijdstip van de invoer een beschikking van de inspecteur houdende de aanwijzing voor toepassing van artikel 23 van de Wet OB had. Als weergegeven onder 2.2.2 heeft belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting van de rechtbank verklaard dat bij de invoer van de goederen artikel 23 van de Wet OB niet is toegepast omdat de beschikking nog niet was binnengekomen c.q. het besluit nog niet was genomen. De Douanekamer heeft geen reden te twijfelen aan deze verklaring – de juistheid waarvan door de inspecteur niet wordt betwist – en verstaat deze verklaring aldus dat op datum waarop belanghebbende de litigieuze aangifte voor het vrije verkeer deed, haar opdrachtgever (nog) niet beschikte over een aanwijzing in de zin van artikel 23 van de Wet OB juncto artikel 18, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking. Reeds hierom moet worden vastgesteld dat ter zake van de invoer van de goederen de verleggingsregeling van artikel 23 van de Wet OB, niet van toepassing is. Uit hetgeen onder 2.6.1 tot en met 2.6.3 is overwogen volgt dat ingevolge artikel 22 van de Wet OB, ter zake van de omzetbelasting bij de invoer van de goederen de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Douanewet van overeenkomstige toepassing zijn. Tot deze bepalingen behoren, behalve artikel 236 van het Communautair douanewetboek (CDW), voorzover hier van belang, ook artikel 35 van de Douanewet en artikel 74 van het Douanebesluit inzake de verschuldigdheid van kosten. Uit hetgeen onder 2.6.1 tot en met 2.6.4. is overwogen volgt dat het oordeel van de rechtbank op dit punt niet juist is en dat de inspecteur in zoverre daartegen terecht een grief naar voren heeft gebracht. Echter om andere redenen dan door de rechtbank zijn overwogen zijn de litigieuze kosten naar het oordeel van de Douanekamer ten onrechte aan belanghebbende in rekening gebracht. Uit hetgeen onder 2.6.4. is overwogen volgt dat belanghebbende haar verzoek tot terugbetaling heeft gestoeld op artikel 236 van het CDW. In de procedure van deze communautaire bepaling is niet voorzien in een heffing van kosten. Een aanvullende regeling op nationaal niveau voor de heffing van kosten in het kader van artikel 236 van het CDW acht de Douanekamer niet toelaatbaar. Voorts heeft belanghebbende, als overwogen onder 2.6.3, ten tijde van de invoer op correcte wijze het bepaalde in artikel 22 van de Wet OB nageleefd. Niet-naleving van een te harer aanzien getroffen regeling doet zich in casu niet voor. Van werkzaamheden verricht ter opheffing van niet-naleving van wettelijke bepalingen of getroffen regelingen is derhalve geen sprake, hetgeen met zich brengt dat ook op de voet van de onder 2.4.4 en 2.4.5. weergegeven bepalingen van nationaal recht geen plaats is voor het berekenen van kosten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen