Hof Amsterdam 31 maart 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT3329
Het hof is van oordeel dat de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van de notaris niet steeds eindigt zodra voor hem een plaatsvervanger (krachtens artikel 53 van de Wet op het Notarisambt van 1842) of een waarnemer (krachtens artikel 28 WNA) optreedt. Deze verantwoordelijkheid blijft bestaan ingeval (onder de oude wet) de plaatsvervanger op verzoek en op aanbeveling van de notaris is benoemd, dan wel (onder de nieuwe wet) ingeval de waarnemer op verzoek van de notaris is benoemd teneinde de notaris in de in artikel 28, onderdelen a en b, WNA bedoelde gevallen te vervangen. In deze gevallen is de notaris alleen dan niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk indien de optredende plaatsvervanger of waarnemer voldoende ervaring heeft en het niet een handelen betreft dat (mede) is toe te schrijven aan de structuur of de organisatie van het kantoor van de notaris.
De uitspraak op rechtspraak.nl