Hof Amsterdam 8 juni 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AP4597
De douanekamer komt tot het oordeel dat het beroep van belanghebbende ontvankelijk kan worden geacht nu het o.a. is ingesteld door een persoon, die zowel voor belanghebbende als voor de andere (zuster)onderneming werkzaam is. Belanghebbendes beroep wordt ongegrond verklaard aangezien naar het oordeel van de Douanekamer vaststaat dat het onder artikel 1 op de Douane 11 vermelde goed niet in het douane-entrepot aanwezig was zonder dat het op reguliere wijze was uitgeslagen. Er is dan sprake van een handelen of nalaten, als gevolg waarvan de douaneautoriteiten geen toegang meer hadden tot het ontbrekende goed en de in de communautaire douanewetgeving voorziene controles niet meer konden uitvoeren. Gelet op het arrrest van het Hof van Justitie EG van 1 februari 2001, zaak C-66/99, Wandel, Jur. 2001, blz. I-873 (UTC 2001/61) moet dan ook worden geoordeeld dat het ontbrekende goed aan het douanetoezicht is onttrokken in de zin van art. 203, eerste lid, van het CDW. Er is sprake van het belastbare feit van invoer in de zin van de artikelen 1, onderdeel d, en 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Belanghebbende is terecht als douaneschuldenaar aangemerkt voor de douanerechten en voor de omzetbelasting.
De uitspraak op rechtspraak.nl