Hof Amsterdam 6 april 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AP4564
In het geding is de correctie van de douanewaarde van de in 1998 voor het vrije verkeer aangegeven film- en geluidsbanden. Nu de inspecteur wil afwijken van de aangegeven douanewaarde dient hij aannemelijk te maken dat deze waarde te laag is geweest. De door de inspecteur gehanteerde printprijsregeling, welke is neergelegd in Mededeling 47 van de staatssecretaris, heeft een nationale grondslag en wordt niet in het CDW vermeld. Deze regeling kan derhalve ten hoogste worden opgevat als een waardevol hulpmiddel bij de toepassing van de methode van artikel 31, lid 1, CDW, hetgeen dus betekent dat deze methode andere redelijke middelen niet uitsluit. De inspecteur is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zijn methode de voorkeur verdient boven de door belanghebbende verdedigde methode. Ook de correctie naar aanleiding van de lengte van de banden wordt door de Douanekamer verworpen.De heffing van de omzetbelasting wegens de wijziging van de douanewaarde, alsmede over de door de wijziging van de douanewaarde meerverschuldigde douanerechten heeft, gelet op het voorgaande, ten onrechte plaatsgevonden. De beroepen worden gegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl