Hof Amsterdam 17 april 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AK3534

Geen voorschrift in het douanerecht verzet er zich tegen dat een uitnodiging tot betaling betrekking heeft op meer dan een aangifte ten invoer. Steun voor deze regel is onder meer te vinden in de rechtsoverweging 14 van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak 214/84 (Jur. 1985, blz. 4055). Er is geen reden te twijfelen dat het verloop van de productie en het vervoer van de goederen, waarop de onderhavige aangiften betrekking hebben, op vergelijkbare wijze hebben plaatsgevonden als weergegeven in het rapport in kwestie. Nu bovendien de bevoegde douaneautoriteiten hebben verklaard dat de onderhavige certificaten niet geldig waren en werden ingetrokken, acht de Tariefcommissie het aannemelijk dat in casu de goederen niet in Bangladesh zijn geproduceerd en dat de certificaten door de Bengalese autoriteiten zijn afgegeven op basis van door de exporteur aangedragen valse gegevens. Naar het oordeel van de Tariefcommissie heeft de inspecteur de onderhavige certificaten terecht als ongeldig aangemerkt. Belanghebbendes standpunt dat met toepassing van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1697/79 casu quo artikel 220, lid 2, letter b, CDW de navordering achterwege had moet blijven, omdat sprake zou zijn van een vergissing van de zijde van de Bengaalse autoriteiten, die niet aan belanghebbende kenbaar was, wordt verworpen. De Tariefcommissie acht op grond van het proces-verbaal van de FIOD aannemelijk dat de Bengaalse autoriteiten bij de afgifte van de certificaten uitsluitend zijn afgegaan op de door de exporteur aangeleverde gegevens; er is niet gebleken van een daaraan voorafgaande controle. Zij hoefden die controle ook niet te verrichten. In zoverre is derhalve geen sprake van een vergissing van die autoriteiten in vorenbedoelde zin. Het is vaste jurisprudentie van de Tariefcommissie dat een navordering van douanerechten uitsluitend wordt beheerst door de communautaire voorschriften dienaangaande. Nu aan de criteria van deze bepalingen niet is voldaan, behoeven de op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur gerichte argumenten van belanghebbende geen behandeling meer. De Tariefcommissie is niet bevoegd de rechtvaardigheid of de billijkheid van de Europeesrechtelijke regeling van de aansprakelijkheid voor een douaneschuld te beoordelen; die regeling kan niet op billijkheidsgronden buiten toepassing worden gelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen