Hof Amsterdam 19 juni 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AJ0464

Geen voorschrift uit het douanerecht verzet er zich tegen dat een uitnodiging tot betaling betrekking heeft op meer dan een aangifte ten invoer. Steun hiervoor is onder meer te vinden in de rechtsoverweging 14 van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak 214/84 (Jur. 1985, blz. 4055). De Tariefcommissie acht het aannemelijk dat in casu de goederen niet in Bangladesh zijn geproduceerd en dat de certificaten door de Bengalese autoriteiten zijn afgegeven op basis van door de exporteur aangedragen valse gegevens. Naar het oordeel van de Tariefcommissie heeft de inspecteur de onderhavige certificaten terecht als ongeldig aangemerkt. Belanghebbendes standpunt dat met toepassing van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1697/79 casu quo artikel 220, lid 2, letter b, CDW de navordering achterwege had moet blijven, omdat sprake zou zijn van een vergissing van de zijde van de Bengaalse autoriteiten, die niet aan belanghebbende kenbaar was, wordt verworpen. Het gemeenschapsrecht legt de douaneautoriteiten, die op de hoogte zijn van een mogelijke fraude in het kader van het gebruik van certificaten van oorsprong, geen enkele verplichting op de aangever ervoor te waarschuwen, dat hij ten gevolge van die fraude douanerechten schuldig kan worden. De Tariefcommissie is niet bevoegd de rechtvaardigheid of de billijkheid van de Europeesrechtelijke regeling van de aansprakelijkheid voor een douaneschuld te beoordelen; die regeling kan niet - ook niet in de omstandigheden van het onderhavige geval - op billijkheidsgronden buiten toepassing worden gelaten. Het door belanghebbende naar voren gebrachte beroep op artikel 239 CDW komt niet voor behandeling in aanmerking, omdat een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding niet in een reeds aangevangen bezwaarschrift- en beroepsprocedure ter zake van een uitnodiging tot betaling kan worden geïnsereerd, doch slechts afzonderlijk kan worden ingediend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen