CRvB 8 oktober 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1331

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op 80 tot 100%. Betrokkene is niet geschikt voor haar laatste werk. De geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid van betrokkene. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Appellante is het niet een met de arbeidskundige beoordeling. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 2 maart 2023 waarin is geoordeeld dat uit door het Uwv verstrekte algemene informatie afdoende blijkt hoe het functiebestand in het CBBS wordt gevuld en geactualiseerd en hoe de automatische voorselectie werkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

25/721 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2025, 23/3546 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 11 april 2023 heeft vastgesteld op 80 tot 100%. Volgens appellante is de arbeidskundige beoordeling niet juist geweest. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen, bijgestaan door [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1 [naam betrokkene] (betrokkene) heeft van 1 april 2015 tot 8 december 2019 gewerkt als tester van printers voor 38,08 uur per week voor Tempo-Team. Vanaf 9 december 2019 heeft het Uwv betrokkene een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt, van 12 maart 2021 tot 11 april 2021, als productiemedewerker/inpakker bij appellante voor 24,14 uur per week. Op 14 april 2021 heeft zij zich ziekgemeld. Per 13 juli 2021 heeft het Uwv betrokkene een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.

1.2 Nadat betrokkene een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat betrokkene bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 februari 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat betrokkene niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor betrokkene functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 60,53%. Het Uwv heeft bij besluit van 9 maart 2023 aan betrokkene met ingang van 11 april 2023 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

1.3 Bij besluit van 11 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de WGA-uitkering met ingang van 11 april 2023 aan betrokkene toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een van de drie door de arbeidskundige geselecteerde functies verworpen vanwege overschrijding van de belastbaarheid. Er bleken geen andere passende functies geselecteerd te kunnen worden, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100% is vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vooropgesteld dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem en ondersteunende methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten, en dat in deze rechtspraak verder besloten ligt dat de omstandigheid dat het Uwv met het CBBS beschikt over gegevens die voor de betrokkene niet allen kenbaar zijn, geen strijd oplevert met het uit artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende vereiste van equality of arms en met het beginsel van fair play.

2.1 Appellante heeft ter zitting, in aanvulling op de rapporten van de arbeidsdeskundige F. van den Berg van 5 juli 2023 en 17 december 2024, gesteld dat het onmogelijk is om de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te controleren, omdat er geen inzicht is in de niet-geselecteerde functies. Volgens appellante moeten de individuele keuzes die de arbeidsdeskundige van het Uwv maakt bij het selecteren van functies inzichtelijk en reproduceerbaar zijn. De rechtbank heeft overwogen dat appellante echter niet duidelijk heeft kunnen maken op welke manier dat zou moeten gebeuren. Op de zitting is besproken dat appellante toegang wil tot het CBBS om de beoordeling van de arbeidsdeskundige van het Uwv te kunnen controleren. De rechtbank heeft overwogen dat niet duidelijk is op welke manier daarmee inzichtelijk zou kunnen worden welke keuzes de arbeidsdeskundige heeft gemaakt.

2.2 Verder geldt dat, zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 2 maart 2023, niet kan worden gezegd dat door gebruik te maken van het CBBS sprake is van besluitvorming die als gevolg van niet kenbare keuzes, gegevens en aannames onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar is. Dat geldt ook voor de functies die bij de automatische voorselectie of bij de beoordeling daarna door de arbeidsdeskundige zijn verworpen. Wanneer een betrokkene gemotiveerd in twijfel trekt of functies terecht niet zijn geselecteerd, zal de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dit moeten onderbouwen aan de hand van de toegepaste verwerpingscriteria. Appellante heeft een overzicht gekregen van de niet-geselecteerde eindfuncties, met daarbij een notitie functiebelasting waarin staat waarom de functies zijn verworpen. Voor appellante was het dus duidelijk welke functies niet passend zijn geacht en waarom. Het lag vervolgens op de weg van appellante om aan te voeren en te onderbouwen waarom dit niet juist is, of, als er informatie nodig is om dit te controleren, welke informatie dat dan is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante dat niet gedaan. Tegen de niet-geselecteerde eindfuncties heeft appellante geen beroepsgronden aangevoerd. Daar komt bij dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met de rapporten van 4 mei 2023 en 14 oktober 2024, het Resultaat Functiebeoordeling van 4 mei 2023 en de Notities Functiebelasting van 4 mei 2023 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de functies niet passend zijn vanwege de aangewezen urenbeperking of overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van andere items.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is het CBBS onvoldoende controleerbaar en heeft het Uwv door gebruik te maken van het CBBS niet op de juiste wijze de arbeidsongeschiktheid vastgesteld. Er is sprake van onevenwichtigheid en rechtsongelijkheid tussen een werkgever en het Uwv. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapport van 15 mei 2025 van arbeidsdeskundige Van den Berg ingebracht. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante toegelicht dat ten opzichte van eerdere zaken bij de Raad over hetzelfde onderwerp waarin hij ook als gemachtigde van de werkgever is opgetreden, een nieuwe beroepsgrond is dat het Uwv ten onrechte geen inzicht heeft gegeven in de functies die niet in de automatische voorselectie aan de arbeidsdeskundige worden gepresenteerd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

5.1 Het geschil spitst zich enkel toe op de vraag of het CBBS voldoende inzichtelijk en controleerbaar is, omdat het Uwv volgens appellante geen inzicht geeft in de functies die niet in de automatische voorselectie aan de arbeidsdeskundige worden gepresenteerd. De Raad overweegt hierover als volgt.

5.2 In geschillen over de arbeidsongeschiktheidswetten heeft de Raad herhaaldelijk onderkend dat een belanghebbende werkgever niet veel anders kan dan proberen aannemelijk te maken dat het onderzoek van het Uwv onvoldoende is geweest of dat de door het Uwv gegeven motivering de beslissing niet kan dragen, waardoor de werkgever niet op geheel gelijke voet als een werknemer en het Uwv aan het geding kan deelnemen. De Raad heeft eveneens eerder overwogen dat dit de werkgever niet in een wezenlijk nadeligere positie brengt ten opzichte van de andere partijen als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zodat van een schending van de artikelen 6 en 13 van het EVRM geen sprake is. Wel is het zo dat de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren.

5.3 Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, is het CBBS volgens vaste rechtspraak van de Raad in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en ondersteunende methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. Voor de wijze waarop functies in het CBBS worden opgenomen en door het Uwv worden gebruikt bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen wordt verwezen naar de uitspraken van 15 mei 2019 en van 2 maart 2023. In deze uitspraken is een uitgebreide toelichting van het Uwv vermeld over de wijze waarop het functiebestand in het CBBS wordt gevuld en geanalyseerd, alsmede hoe de selectie van functies door de arbeidsdeskundige in individuele gevallen verloopt. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv bevestigd dat de in deze uitspraken beschreven werkwijze nog steeds wordt gehanteerd.

5.4 In de uitspraken van 2 maart 2023 heeft de Raad geoordeeld dat uit door het Uwv verstrekte algemene informatie, afdoende blijkt hoe het functiebestand in het CBBS wordt gevuld en geactualiseerd. Daarnaast heeft het Uwv toegelicht dat het CBBS de arbeidsdeskundige aan de hand van de ingevoerde FML en arbeidskundige gegevens bij de automatische voorselectie potentieel geschikte functies presenteert. Evident ongeschikte functies worden niet aan de arbeidsdeskundige gepresenteerd. Dat kan zijn omdat de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid evident wordt overschreden, maar ook vanwege het opleidingsniveau of het arbeidspatroon. De gegevens over de in de automatische voorselectie geselecteerde en verworpen functies worden weergegeven op de zogenoemde recapitulatie voorselectie. De arbeidsdeskundige beoordeelt vervolgens aan de hand van een arbeidskundig persoonsprofiel of de hem gepresenteerde potentieel geschikte functies daadwerkelijk voor de betrokkene geschikt zijn. Potentieel geschikte functies waarin de belastbaarheid van de betrokkene slechts ten dele wordt overschreden worden de arbeidsdeskundige gepresenteerd met een signalering. Wanneer de arbeidsdeskundige in een specifieke situatie onvoldoende kan beoordelen of een functie gelet op de functiebelasting geschikt is, kan hij te rade gaan bij de arbeidskundig analist. Over de vraag of de functie passend is met het oog op de medische beperkingen van de betrokkene kan de arbeidsdeskundige overleggen met de verzekeringsarts. De beoordeling legt de arbeidsdeskundige neer in het Resultaat functiebeoordeling met daarin onder andere de functiebeschrijving, functiebelastingen en eventuele signaleringen, en in een arbeidskundig rapport. De Raad heeft in de uitspraken van 2 maart 2023 vervolgens geoordeeld dat, gelet op deze door het Uwv gegeven informatie en de toelichting over de vulling van het CBBS en de selectie van functies, niet kan worden gezegd dat sprake is van besluitvorming die als gevolg van niet kenbare keuzes, gegevens en aannames onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar is. Hierbij is expliciet overwogen dat dat ook geldt voor de functies die bij de automatische voorselectie of bij de beoordeling daarna door de arbeidsdeskundige zijn verworpen. Wanneer een betrokkene gemotiveerd in twijfel trekt of functies terecht niet zijn geselecteerd, zal de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dit moeten onderbouwen aan de hand van de toegepaste verwerpingscriteria.

5.5 Anders dan appellante stelt, is hetgeen dat naar voren wordt gebracht over de evident ongeschikte functies die bij de automatische voorselectie niet aan de arbeidskundige worden gepresenteerd, ook aan de orde geweest in de uitspraken van 2 maart 2023. De Raad heeft dit expliciet in zijn beoordeling betrokken. Er bestaat thans geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan in de uitspraken van 2 maart 2023.

5.6 Appellante is verder voldoende in de gelegenheid gesteld de arbeidskundige grondslag van de besluitvorming van het Uwv te controleren en aan te vechten en heeft daarvan ook gebruik gemaakt door het inbrengen van arbeidskundige rapporten van Van den Berg. Onder verwijzing naar bovengenoemde uitspraken is daarom ook in dit geding geen sprake van strijd met het vereiste van equality of arms. Omdat er geen twijfel is aan de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, is er ook geen aanleiding om een onafhankelijke arbeidsdeskundige te benoemen.
Conclusie en gevolgen

5.7 Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan betrokkene, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.A. Kjellevold en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) A.N. Bechinka

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken