CRvB 20 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:917
Verrekening. Overlijdensuitkering. Inkomen. Vrijlating art. 31 lid 2 onder f PW. Tegemoetkoming of vergoeding van kosten. Criteria. De vraag die voorligt, is of de aan appellant toegekende overlijdensuitkering moet worden aangemerkt als een middel a.b.i. art. 31 lid 2 onder f PW. Bij de beantwoording van die vraag gelden de volgende cumulatieve vereisten: a) het moet gaan om een tegemoetkoming in of vergoeding van kosten, b) die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, c) waarop op grond van regeling aanspraak bestaat en d) waarmee in het kader van de bijstandsverlening nog geen rekening is gehouden. Niet in geschil is dat voldaan is aan de criteria c en d. Partijen verschillen van mening over het antwoord op vraag of aan de vereisten a en b is voldaan. Volgens appellant is de overlijdensuitkering bestemd ter tegemoetkoming van specifieke kosten, namelijk van de plotseling opkomende kosten die met het overlijden van de pensioengerechtigde zijn gemoeid en mag deze uitkering niet verrekend worden met de bijstand. De Raad geeft appellant gelijk. De overlijdensuitkering op grond van de AOW ten tijde hier van belang is bedoeld als tegemoetkoming voor specifieke kosten, namelijk voor kosten die plotseling opkomen in verband met het overlijden van de pensioengerechtigde, zoals begrafeniskosten. De in verband met het overlijden van de pensioengerechtigde opkomende kosten behoren niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten van de bijstandsgerechtigde. Het zijn kosten die behoren tot de passiva van de nalatenschap. Het zijn daarom geen kosten van de bijstandsgerechtigde die hij moet worden geacht uit de bijstandsnorm te voldoen. Dat betekent dat is voldaan aan alle criteria art. 31 lid 2 onder f PW. Om die reden was het college niet bevoegd om de overlijdensuitkering met de bijstand te verrekenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl