CRvB 6 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:224
Beëindiging Wajong-uitkering per 1 december 2021, omdat er (achteraf) geen rechtsgrond was voor toekenning van een Wajong-uitkering. De Raad volgt het standpunt dat bij beoordeling van de Wajong-uitkering in 2015 is gesteld dat de per 1 januari 2011 bestaande situatie van het ontbreken van benutbare mogelijkheden niet duurzaam is omdat er nog verbetering mogelijk is, maar dat in de conclusie van het rapport per abuis is vermeld dat sprake was van het duurzaam ontbreken van benutbare mogelijkheden. De op grond daarvan toegekende Wajong-uitkering is ten onrechte toegekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, omdat gegeven de inhoud van het besluit van 20 juni 2016 kon appellante er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar Wajong-uitkering niet meer zou worden beëindigd. Ook is niet gesteld of gebleken dat het Uwv toezeggingen heeft gedaan waaruit appellante redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat haar uitkering niet zou worden beëindigd. De Raad heeft geen aanknopingspunten om de door het Uwv gehanteerde uitlooptermijn voor onzorgvuldig te houden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de uitlooptermijn langer is dan regulier het geval is in bijvoorbeeld WIA-zaken en zaken over de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl